Hoeveel vragen kan een raadslid stellen tijdens de gemeenteraad ?

Een van de belangrijkste rechten van gemeente- en OCMW-raadsleden betreft het stellen van mondelinge vragen tijdens de raadszitting (artikel 31, decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur). De burgemeester en schepenen zijn dus, ook al werden ze buiten de raad benoemd, aanwezig tijdens de gemeente- en OCMW-raadszitting.

Het huishoudelijk reglement kan de voorwaarden bepalen waaronder de raadsleden hun recht uitoefenen om aan de burgemeester of aan de leden van het college van burgemeester en schepenen of het vast bureau vragen te stellen.

Het spreek- en vraagrecht is evenwel een fundamenteel instrument om de taak als raadslid te kunnen uitoefenen. De voorwaarden in het huishoudelijk reglement mogen de raadsleden niet verhinderen hun democratische taak te voldoen.

Toch is dit in sommige gemeente geen evidentie. Een aantal actieve raadsleden zetten vaak de administratie uitgebreid aan het werk.

De vraag is dan ook welke criteria kan een huishoudelijk reglement vooropstellen om het mondeling en schriftelijk vraagrecht te beperken?

Vraag van BRECHT WARNEZ aan BART SOMERS
VICEMINISTER-PRESIDENT VAN DE VLAAMSE REGERING, VLAAMS MINISTER VAN BINNENLANDS BESTUUR, BESTUURSZAKEN, INBURGERING EN GELIJKE KANSEN – publicatie op 10 mei 2021.

  1. Raadsleden beschikken over een aantal rechten om hun (controle)functie als raadslid uit te oefenen. Denk aan het inzagerecht, het recht om mondelinge en schriftelijke vragen te stellen, het initiatiefrecht tot bijeenroeping van de raad, het toevoegen van agendapunten, het bezoekrecht, …Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (DLB) bepaalt in artikel 31 dat gemeenteraadsleden het recht hebben om aan leden van het college van burgemeester en schepenen mondelinge en schriftelijke vragen te stellen. De gemeenteraad bepaalt overeenkomstig artikel 39 van het DLB dat het huishoudelijk reglement de nadere voorwaarden vastlegt over onder andere het vragenrecht. Voor de leden van de OCMW-raad is in artikel 74 van het DLB hetzelfde recht opgenomen ten aanzien van de leden van het vast bureau. Het huishoudelijk reglement van de OCMW- raad legt de nadere voorwaarden vast.De uitoefening van het vragenrecht moet op een redelijke en normale manier gebeuren. Dit betekent dat de goede werking van de gemeenteraad niet in het gedrang mag komen door de uitoefening van het vragenrecht. Daarentegen mogen de voorwaarden opgenomen in het huishoudelijk reglement geen afbreuk doen aan de redelijke uitoefening van het vragenrecht. De uitoefening van het vragenrecht moet bijgevolg in balans zijn met de goede werking van de gemeenteraad. Om die reden voorzien de huishoudelijk reglementen in regels met betrekking tot de uitoefening van het vragenrecht. Het bepalen van die regels behoort binnen de boven gestelde principes tot de autonomie van het bestuur.Ik som hierna een aantal voorbeelden op van regels met betrekking tot de uitoefening van dit vragenrecht. Er zijn huishoudelijke reglementen die vereisen dat alle vragen binnen een bepaald tijdsbestek moeten worden gesteld. Er zijn huishoudelijke reglementen die vereisen dat de mondelinge vraag op voorhand schriftelijk moet worden ingediend. Er zijn huishoudelijk reglementen die een maximum aantal vragen toekent aan fracties. Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Dergelijke voorwaarden zijn enkel te rechtvaardigen als het gaat over de goede werking van de gemeenteraad. Ik bevestig hierbij enkel het standpunt dat eerder al is ingenomen door toenmalig minister van Binnenlands Bestuur, Geert Bourgeois (VOU nr. 1402 van 7 mei 2013).Als raadsleden van mening zijn dat hun prerogatieven als raadsleden beknot worden, kunnen zij een klacht indienen bij de toezichthoudende overheid. Dergelijke dossiers zijn casuïstisch en vragen een concreet onderzoek geval per geval.
  2. a) Artikel 31 van het decreet over het lokaal bestuur voorziet niet expliciet in een recht tot tussenkomst of wederwoord naar aanleiding van een mondeling gestelde vraag en het daarop verkregen antwoord.
    Het lijkt mij evenwel een kernwaarde te zijn in het democratisch debat dat er een mogelijkheid bestaat tot een (korte) repliek. Het lijkt mij niet aangewezen dat gemeenten in een huishoudelijk reglement de mogelijkheid tot het stellen van vervolgvragen door de vraagsteller of het stellen van bijkomende vragen door andere raadsleden volledig zouden uitsluiten. Het komt desgevallend aan de voorzitter van de gemeenteraad toe om het woord en het wederwoord in goede banen te leiden.

b) Het lijkt mij mogelijk dat het huishoudelijk reglement regels bevat over het aantal mondelinge vragen dat door raadsleden gesteld kunnen worden. Er zijn ook verschillende huishoudelijke reglementen die dergelijke bepaling hebben opgenomen. Het kan dan gaan om een beperking in het aantal vragen per raadslid of per fractie. Er zijn huishoudelijke reglementen die een vast aantal vragen toekennen aan fracties volgens de grootte van de fractie. Uiteraard mogen deze modaliteiten het vragenrecht niet beperken en moeten zij in verhouding staan tot of ingegeven zijn door de goede werking van de raad.

Dit standpunt is eerder al ingenomen door toenmalig minister van Binnenlands Bestuur, Geert Bourgeois op een vraag om uitleg (VOU nr. 1402 van 7 mei 2013).

c)Artikel 31 van het decreet over het lokaal bestuur bepaalt dat de gemeenteraadsleden het recht hebben om mondelinge en schriftelijke vragen te stellen aan de leden van het college van burgemeester en schepenen. Voor het stellen van zo een vraag is geen toegelicht voorstel van beslissing vereist. Uiteraard moet het mogelijk zijn voor een raadslid om de context te schetsen waarin de vraag wordt gesteld.

d) Ik meen dat een tussenkomst van een raadslid bij een agendapunt een basisrecht is. Zij kunnen bij een agendapunt tussenkomen zonder een concrete vraag te stellen en enkel hun persoonlijk standpunt of het standpunt van de fractie over het agendapunt mee te geven.

Laat een reactie na

Archief

Categorieën